Frenk Meeuwsen – Rufus. Sherpa, 2026. 136 pagina’s. € 24,95
Rufus is het verhaal van een jongetje van vier met die naam. Zijn vader is een al wat oudere man en op een kwade dag krijgt hij een serieuze hartaanval, nadat hij tevoren al een paar waarschuwingen heeft gehad. Het verhaal in dit boek heeft niet veel om het lijf. Het is vooral het beeld dat de hoofdrol speelt. De hartproblemen van de hoofdfiguur worden afgebeeld als kopje onder gaan, diep wegzinken in de zee. Er komen veel vissen voorbij, octopussen, maar intussen gaat de conversatie over zuignapjes van meetapparatuur en veel symboliek in de tekeningen zijn te vertalen naar het ziekenhuisverblijf, de operatie en het herstel. Onderwijl moet de kleine Rufus thuis zijn papa missen. Hij speelt redelijk onbevangen, maar in zijn spel treden operaties, het missen, de afwezige vader een belangrijke rol. Ook de moeder in het boek mist de patiënt, maar moet het zien te klaren met haar kleine jongen en zijn omgang met de situatie. Rufus wordt veel afgebeeld als groot en sterk, als een Hercules. Ik denk dat zijn vader hem als een ijzersterk iemand neerzet, die niet helemaal probleemloos de situatie het hoofd biedt, maar er toch best goed door lijkt te komen. En dan op een mooie dag ligt die grote sterke papa ineens weer op de bank en springt de kleine Rufus er bovenop zoals hij dat gewend was van vóór de operatie. Dat hoort zo bij grote sterke vaders. En die grote sterke vader is zelf ook blij er weer te zijn.
Rufus is een mooi boek over een moeilijke periode die door een ernstige aandoening wordt veroorzaakt. Toch wordt het nergens dramatisch of sentimenteel. Het is een verslag van hoe de hoofdrolspelers ermee omgaan. Fijn boek!



